Hét vonnis

Door: Arjen Lutgendorff


Het was een bloedstollend spannende week, waarin de spanning ook na dé uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak van D-rt Groep en DTRU tegen SGR en de Staat der Nederlanden, blijft voortduren. ANVR-directeur Frank Oostdam liet eerder deze week al weten te hopen dat iedereen de draad weer wil oppakken en liet ook weten het fijn te vinden dat de rechtszaak zoveel duidelijkheid heeft verschaft. Ga er even voor zitten, want dit moet je willen lezen wanneer je in de reissector werkt. Lees hier de meest interessante stukken uit hét vonnis.

Bezwaar SGR SGR heeft bezwaar gemaakt tegen de producties van D-rt en DTRU, omdat deze één dag voor de mondelinge behandeling zijn overgelegd. De voorzieningenrechter heeft de producties toegestaan. Het gaat met name om met SGR gewisselde correspondentie en openbare stukken. SGR was daarmee dus reeds bekend of had dat kunnen zijn. Doel SGR Blijkens haar statuten heeft SGR tot doel uitkeringen te doen aan consumenten die pakketreisovereenkomsten, gekoppelde reisarrangementen of overeenkomsten van vervoer of verblijf hebben afgesloten met of door bemiddeling van een deelnemer van SGR, indien deze consumenten geldelijke schade lijden doordat de betrokken deelnemer wegens financieel onvermogen niet presteert. In de garantieregeling van SGR zijn de voorwaarden met betrekking tot het doen van uitkeringen opgenomen. Eisen SGR aan deelnemers Eén van de eisen die SGR aan deelnemers stelt staat in artikel 6 lid 1 en houdt in dat (a) de deelnemer tegenover SGR verplicht is tot het stellen van zekerheden en wel het stellen van een bankgarantie naar genoegen van het bestuur gelijk aan anderhalf procent (1,5%) van de risicodragende omzet en/of; (b) het stellen van zodanige bankgaranties boven die onder (i) omschreven of het bovendien verstrekken van andere vormen van zekerheden, als het bestuur nodig zal oordelen in verband met de mogelijke schadehoogte bij financieel onvermogen en/of in het geval niet wordt voldaan aan de in artikel 5 lid 2 genoemde eisen van solvabiliteit en liquiditeit, één en ander ten genoegen van het bestuur. (...)“. Er is een ernstige crisissituatie ontstaan Op 14 maart 2020 heeft SGR het volgende besluit genomen en gecommuniceerd: “Er is thans een ernstige crisissituatie ontstaan rond het zogenaamde Corona virus (Covid-19 virus) als gevolg waarvan de reisbranche wordt geconfronteerd met een groot aantal annuleringen en de verplichting aan reizigers de vooruitbetaalde reissommen terug te betalen. Een en ander kan tot grote cashflow problemen in de reisbranche leiden. Aan reizigers wordt daarom door deelnemers gevraagd om de reis om te boeken of om een voucher te accepteren voor een reis op een later tijdstip (hierna corona-voucher te noemen). De garantieregeling van SGR sluit waardebonnen en reischeques die niet hebben geleid tot een boeking met een deelnemer uit van vergoeding.’ Er is in deze crisissituatie aanleiding om te bepalen dat tijdelijk en onder na te melden aanvullende voorwaarden een corona-voucher wel voor vergoeding in aanmerking kan komen, teneinde het consumentenvertrouwen in deze vorm van compensatie voor de annulering van een reis te versterken. Het bestuur van SGR besluit daarom als volgt:

  1. Met ingang van 16 maart 2020 beschouwt SGR door aan SGR deelnemende organisatoren uitgegeven vouchers als vallende onder de dekking van SGR (...).
  2. Deze dekking geldt alleen als de voucher voldoet aan de door SGR voorgeschreven model voucher en slechts voor uitgegeven vouchers in geval van het annuleren van reizen in verband met het niet kunnen uitvoeren van de reis in het kader van het ontstaan van de onvermijdbare en buitengewone omstandigheden ten gevolge van het coronavirus en onder voorwaarde dat de waarde van de voucher duidelijk is ingevuld en de voucher de naam ‘corona-voucher’ bevat.
  3. (...)
  4. De voucher dient een expliciete geldigheidsduur te bevatten van maximaal een (1) jaar na datum van uitgifte.

Coronavouchers reisagenten Op 28 april 2020 heeft SGR besloten dat ook reisagenten coronavouchers kunnen uitgeven. Punt 5 van het besluit bepaalt onder andere dat een doorverkoper na toevoeging van reisdiensten, zoals taxikosten of een extra overnachting, voor de totale aan de consument in rekening gebrachte diensten, voor zover deze vallen onder de garantieregeling van SGR, een voucher onder dekking van SGR kan uitschrijven en de van de aan SGR deelnemende organisator ontvangen voucher onder zich kan houden. Een doorverkoper mag geen vouchers uitschrijven van niet onder de SGR-dekking vallende diensten en/of van diensten van niet bij SGR aangesloten organisatoren. Europese Commissie op de hoogte Op 16 juli 2020 heeft de Staat de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het voornemen om — tegen te subsidiëren rentetarieven— tot een bedrag van € 165 miljoen leningen aan garantiefondsen als SGR te verstrekken. Daarvan is € 150 miljoen voor SGR bestemd. De Europese Commissie heeft deze steunmaatregel bij beslissing van 28 juli 2020 goedgekeurd. Daarbij zijn voorwaarden gesteld die inhouden dat SGR alleen van de lening gebruik mag maken nadat zij alle zekerheden die tot haar beschikking staan, heeft uitgewonnen en nadat haar eigen vermogen binnen een bandbreedte van 45-75% (deze bandbreedte staat vermeld in de openbare versie van de beslissing. Het precieze percentage is vertrouwelijk) is gedaald ten opzichte van het niveau op 28 juli 2020. SGR waarschuwt over niet doorbetalen Bij brief van 30 juli 2020 heeft SGR aan haar deelnemers geschreven dat zij signalen heeft ontvangen dat reissommen die door organisatoren (touroperators) zijn terugbetaald aan de doorverkoper (reisagent) met betrekking tot door organisatoren geannuleerde reizen, waarvoor de consument (aan)betalingen aan de doorverkoper had gedaan, niet onmiddellijk bij de consument terecht kwamen terwijl dat wel in de agentuurvoorwaarden is voorgeschreven. SGR waarschuwt in die brief dat niet doorbetalen door de reisagent aan de klant (consument) tot grote financiële schade voor de organisator kan leiden, gelet op zijn aansprakelijkheid richting de consument. Die schade komt in geval van een faillissement van de organisator voor rekening van SGR. Haalbaarheid vouchers onderzocht Bij brief van 28 augustus 2020 schrijven de ministers en staatssecretarissen van Economische Zaken en Klimaat, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aan de voorzitter van de Tweede Kamer dat het kabinet samen met de reisbranche de haalbaarheid en wenselijkheid van een kredietfaciliteit gekoppeld aan bestaande vouchers onderzoekt. Financiële positie van D-rt bestudeerd Bij brief van 11 september 2020 schrijft SGR aan D-rt dat zij samen met de overheid aan het onderzoeken is of zij een rol zou kunnen spelen bij het opzetten van een voucherkredietfaciliteit. In dit kader heeft SGR rapportages over de actuele financiële positie van D-rt bestudeerd en naar aanleiding daarvan een aantal vragen aan D-rt gesteld, onder andere over niet aan leveranciers (touroperators) doorgestorte aanbetalingen van consumenten. SGR heeft D-rt (nogmaals) gewezen op de brief van 30 juli 2020, met het verzoek te bevestigen dat zij daarvan kennis heeft genomen.

SGR-deelnemers geïnformeerd SGR heeft haar deelnemers op 12 januari 2021 geïnformeerd over de voorlopige uitgangspunten van het SGR voucherfonds. Daarbij wijst zij er op dat maximaal 80% van de per 31 december 2020 uitstaande coronavouchers wordt vergoed en dat dus 20% door de deelnemer zelf moet worden gefinancierd. SGR heeft haar deelnemers gevraagd om zich via een voorinschrijving aan te melden voor het krediet om de totale kredietbehoefte te kunnen inventariseren. In haar brief gaat SGR ervan uit dat het vanaf medio maart in staat is de uitbetalingen aan klanten te toetsen en de kredieten aan de deelnemers te faciliteren. Europese Commissie op de hoogte gebracht Op 5 maart 2021 heeft de Staat de Europese Commissie op de hoogte gebracht van het voornemen tot verstrekking van een voucherkrediet aan garantiefondsen waaronder SGR. De Europese Commissie heeft daarover op 11 maart 2021 nadere vragen aan de Staat gesteld. SGR vraagt D-rt aanvullende zekerheid te stellen SGR heeft, in verband met de eisen van solvabiliteit en liquiditeit die zij aan haar deelnemers stelt, D-rt op grond van artikel 6 van het deelnemersreglement op 8 december 2020 gevraagd aanvullende zekerheid te stellen. Vervolgens hebben SGR en D-rt met elkaar onderhandeld over vormen van zekerheid. Op 8 maart 2021 hebben D-rt en SGR daarover, en over het voucherfonds, met elkaar gesproken.

Het geschil D-rt en DTRU vorderen na vermeerdering en vermindering van eis — verkort weergegeven — dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. SGR en de Staat gebiedt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis: a. per direct de toegezegde financiering te verschaffen van 80% van de uitgegeven vouchers tegen zakelijke, marktconforme voorwaarden, b. de diverse marktpartijen die vouchers hebben uitgegeven gelijk te behandelen bij het overeenkomen van de voorwaarden en met name geen gunstigere voorwaarden te hanteren voor organisatoren dan voor doorverkopers, c. inzage te geven in het goedkeuringsproces door de Europese Commissie, d. inzage te geven in de afspraken tussen het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en SGR,
  2. SGR en de Staat hoofdelijk veroordeelt om aan D-rt en ieder van de leden van DTRU een bedrag te voldoen gelijk aan het bedrag van de reeds aan consumenten uitbetaalde en thans nog uitstaande (en aan consumenten uit te betalen) vouchers uitgegeven door D-rt respectievelijk het betreffende lid van DTRU in de periode van 1 maart t/m 3 1 mei 2020, een en ander bij wijze van voorschot op vergoeding voor de schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van SGR en de Staat,
  3. gebiedt dat SGR bij de uitoefening van haar functie als voucherfonds de belangen van de gefinancierde deelnemers in acht neemt en niet andere belangen laat prevaleren,
  4. gebiedt dat de Staat toezicht houdt op SGR in de uitvoering van het onder 3 gevorderde
  5. gebiedt dat SGR aan D-rt respectievelijk ieder lid van DTRU steeds op eerste schriftelijk verzoek en uiterlijk binnen drie dagen nadat een dergelijk verzoek is gedaan het bedrag voldoet waarop consumenten ingevolge de garantieregeling van SGR aanspraak kunnen maken, omdat Corendon of een andere betrokken deelnemer niet presteert in diens verplichting om tijdig uit te betalen op uitgegeven vouchers, een en ander op verbeurte van een dwangsom,
  6. gebiedt dat i) in het geval D-rt of een ander DTRU-lid tekort schiet in de uitbetaling van vouchers aan consumenten en ii) SGR aan of ten behoeve van de consument betalingen verricht en iii) wordt gesubrogeerd in de rechten van de consument jegens de betreffende deelnemer, het volledige bedrag van de betreffende vorderingen van SGR op de betreffende deelnemer moet worden omgezet in een lening van SGR aan de betreffende deelnemer, op welke lening dezelfde voorwaarden van toepassing zijn als de leningvoorwaarden op de voucherkredietfaciliteit zoals die door de Europese Commissie zullen worden goedgekeurd (en overigens op zakelijke marktconforme voorwaarden),
  7. het besluit tot voorwaardelijke beëindiging van het deelnemerschap van D-rt schorst totdat een bodemrechter onherroepelijk zal hebben beslist dat dit besluit rechtsgeldig is, met hoofdelijke veroordeling van SGR en de Staat in de proceskosten.

SGR en de Staat voeren verweer SGR voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van DRTU en tot afwijzing van de vorderingen van D-rt, met veroordeling van D-rt en DTRU in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis tot de dag van volledige betaling. De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van D-rt en DTRU in de kosten van het geding.

Bezwaar tegen de eisvermeerdering van D-rt en DTRU SGR en de Staat hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van D-rt en DTRU. Aan SGR en de Staat kan worden toegegeven dat D-rt en DTRU de vordering één dag voor de mondelinge behandeling hebben uitgebreid en van een nieuwe grondslag hebben voorzien. Dit betekent echter niet dat het bezwaar — daarom — gegrond is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de eiswijziging niet zodanig ingrijpend dat de eisen van een goede procesorde zich tegen het toestaan daarvan verzetten. Hoewel de gewijzigde eis verder strekt dan de in de dagvaarding geformuleerde vorderingen, sluit deze aan bij de in de dagvaarding ingenomen stellingen en is deze kennelijk ingegeven door een — na het uitbrengen van de dagvaarding gedane — mededeling van Corendon dat zij zonder voucherfonds niet tot betaling van vouchers overgaat. Daar komt bij dat D-rt en DTRU de inhoud van de eiswijziging in de gegeven omstandigheden tijdig aan gedaagden en de voorzieningenrechter hebben meegedeeld. Dit geldt te meer nu sprake is van een kort geding, aan welke procedure inherent is dat van partijen (processuele) flexibiliteit wordt gevergd. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter op dat geen bezwaren zijn geuit tegen de vermindering van de eis onder 7 tijdens de mondelinge handeling. Niet volstrekt helder voor wie DTRU opkomt… Een van de twee eisende partijen in dit kort geding is DTRU. De dagvaarding en de brieven van DTRU aan de Staat maken niet volledig duidelijk wie naast D-rt lid van DTRU zijn. Weliswaar worden daarin (handels)namen van leden genoemd, maar door de wijze van formuleren — ‘waaronder ...’ — is onduidelijk of deze opsomming uitputtend is. Daarmee is niet volstrekt helder voor wie DTRU in dit kort geding opkomt. Daarnaast rijst de vraag welk concreet en zelfstandig belang DTRU — anders dan belangenbehartiging van leden — bij de verschillende vorderingen heeft. Dat heeft DTRU niet toegelicht. Dit leidt ertoe dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van SGR slaagt. Ten overvloede wordt overwogen dat DTRU weliswaar stelt dat al haar leden behoefte aan en belang bij (uitkeringen uit) het voucherfonds hebben, maar deze stelling niet — voor ieder individueel lid apart — met stukken onderbouwt. Dat mocht wel van haar verwacht worden. DTRU verlangt feitelijk een generieke maatregel, maar het voucherfonds lijkt niet als zodanig bedoeld. In de kamerbrief staat immers dat met de maximering van het krediet per reisonderneming een prikkel wordt ingebouwd die het aanpassingsvermogen en de eigen verantwoordelijkheid van de ondernemer voor het vinden van passende oplossingen stimuleert, ook omdat niet alle reisorganisaties gebruik zullen maken van het voucherfonds. Daarnaast volgt uit de kamerbrief dat een ondernemer aan bepaalde (financiële) eisen moet voldoen om voor krediet in aanmerking te komen. Dit betekent dat, als de Europese Commissie de voorgenomen steunmaatregel goedkeurt, voor iedere reisonderneming afzonderlijk wordt bekeken of zij aanspraak kan maken op financiering vanuit het voucherfonds. Daarbij is, blijkbaar, ook nog van belang of en hoeveel zogeheten nul vouchers de desbetreffende reisonderneming heeft uitgegeven, waarover hierna meer. De consument is geen partij in dit kort geding Over de partijen in dit kort geding wordt verder nog het volgende overwogen. D-rt (DTRU blijft hierna verder buiten beschouwing) heeft tijdens de eerste en de tweede termijn van de mondelinge behandeling aangegeven te willen bereiken “dat de consument wordt betaald en dat het daarna, zodra het voucherfonds er is, aan de achterkant moet worden geregeld”. D-rt wil blijkbaar opkomen voor de belangen van de consument. Die consument is echter geen partij in dit kort geding. D-rt heeft eigen vorderingen ingesteld, die niet rechtstreeks zijn gericht op uitbetaling aan consumenten. Overigens heeft SGR toegezegd dat zij ook voor (in haar ogen) door D-rt ten onrechte uitgegeven vouchers garantiedekking gaat bieden. De geldvorderingen De vorderingen strekken tot betaling van een geldsom (al dan niet in de vorm van een lening). Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening is vereist en of er een restitutierisico is. D-rt grondt vordering la (per direct de toegezegde financiering te verschaffen van 80% van de uitgegeven vouchers tegen zakelijke, marktconforme voorwaarden) op nakoming van een op SGR en de Staat rustende verplichting om aan de bij DTRU aangesloten doorverkopers financiering te verschaffen vanuit de toegezegde voucherkredietfaciliteit. Van een verplichting zoals D-rt stelt, is echter (nog) geen sprake. Dit kan niet worden gelezen in de kamerbrief en blijkt evenmin uit de overige in het geding gebrachte stukken. In de kamerbrief zijn slechts de contouren geschetst van een ‘mogelijke’ voucherkredietfaciliteit. Daarbij zijn bovendien de nodige voorbehouden gemaakt. Aangegeven is dat er nog definitieve uitwerking en besluitvorming moet plaatsvinden evenals goedkeuring door de Europese Commissie. Daar komt bij dat in de kamerbrief aan de eventuele verstrekking van een toegestaan krediet ook nog de nodige mitsen en maren zijn verbonden. Na goedkeuring door de Europese Commissie moet per reisonderneming worden beoordeeld of en hoeveel krediet mag worden verstrekt. Los van het vorenstaande stuit de vordering af op de Europese regels over staatsteun. Hoeveel financiering wil D-rt? D-rt vordert dat de Staat en SGR per direct de toegezegde financiering verschaffen van 80% van de door haar uitgegeven vouchers. Dat komt neer op staatsteun, wat D-rt niet betwist. Artikel 108 lid 3 VWEU bepaalt dat een voorgenomen steunmaatregel in afwachting van een eindbeslissing van de Europese Commissie op een verzoek van een lidstaat daartoe niet tot uitvoering mag worden gebracht. Daarop kan in kort geding — en ook overigens in een nationale gerechtelijke procedure — geen uitzondering worden gemaakt. Ten overvloede wordt over deze vordering nog overwogen dat deze onbepaalbaar is. Hoeveel financiering D-rt verschaft wil hebben — voor welk bedrag zij aan vouchers heeft uitgegeven — maakt zij namelijk niet duidelijk.

Onrechtmatig handelen D-rt legt aan vordering 2 de stelling ten grondslag dat SGR en de Staat onrechtmatig handelen. Volgens D-rt hebben SGR en de Staat bij reizigers, de reisbranche in het algemeen en reisagenten in het bijzonder de gerechtvaardigde verwachting gewekt tijdig en met de nodige zorgvuldigheid de toegezegde financiering te zullen verschaffen en hebben zij dit niet (tijdig) gedaan. SGR en de Staat hebben een en ander gemotiveerd betwist. De Staat doet daarbij een beroep op artikel 71 Gw. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ook deze vordering neerkomt op — op dit moment nog verboden — staatssteun. Het gaat D-rt materieel om hetzelfde als in haar vordering la. Zij wil immers — ook al is dat via een andere weg — betaling krijgen van wat zij (in grote lijnen) verwacht had te ontvangen op grond van de kamerbrief (en de mededeling van SGR in januari 2021). Daar komt bij dat D-rt haar verwijt aan het adres van SGR en de Staat niet voldoende heeft onderbouwd. Nergens blijkt uit dat SGR en de Staat hebben toegezegd voor of op 16 maart 2021 de nodige financiering aan de reissector te verschaffen. In de kamerbrief staat dit in ieder geval niet. Uit de opmerking dat een voorstel in januari (2021) aan de Europese Commissie ter goedkeuring zal worden voorgelegd, kan niet worden afgeleid dat de financiering voor 16 maart 2021 beschikbaar zou zijn. Voorts is van belang dat, zelfs indien het voucherfonds thans goedgekeurd en beschikbaar zou zijn, dit nog niet betekent dat een partij als D-rt automatisch, zonder toets of voorwaarden, recht heeft op een lening uit dat fonds. De Staat kan bovendien, gelet op artikel 71 Gw, niet in rechte kan worden aangesproken voor wat — in dit geval — de ministers en staatssecretarissen in de kamerbrief schriftelijk aan de voorzitter van de Tweede Kamer hebben meegedeeld. Ten slotte geldt ook voor deze vordering dat ze onbepaald is en ook niet onderbouwd. D-rt noemt niet voor welk bedrag zij inmiddels coronavouchers heeft uitbetaald en welk bedrag zij t/m 31 mei 2021 nog moet betalen. Uitlatingen over Corendon… De vordering onder 5 strekt tot nakoming door SGR van de garantieregeling. Volgens D-rt heeft Corendon inmiddels verklaard niet in staat te zijn om consumenten uit te betalen, zodat sprake is van financieel onvermogen. D-rt stelt dat zij op grond van de SGR garantieregeling last en volmacht heeft om namens de consument bij SGR reissommen te incasseren. Een en ander, waaronder de inhoud van de uitlatingen door Corendon, wordt door SGR betwist. Ook deze vordering van D-rt is niet voldoende bepaald. Zo is onduidelijk over welke bedragen het hier gaat en wat onder tijdig uitbetalen dient te worden verstaan. Daarbij vordert zij om aan de veroordeling, die strekt tot betaling van een geldsom, een dwangsom te verbinden. Dat is op grond van artikel 61 la lid 1 Rv niet mogelijk. Daarnaast moet voor het kunnen toewijzen van de vordering een antwoord worden gegeven op de vraag wanneer sprake is van een toestand van financieel onvermogen. Op grond van artikel 8 van de garantieregeling van SGR worden in dat geval immers uitkeringen aan consumenten gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft D-rt opgemerkt te begrijpen dat de vordering om bovengenoemde redenen wordt afgewezen, maar dat zij wel een antwoord wenst op de vraag of, en zo ja wat, door SGR moet worden gefinancierd. Daarmee verlangt D-rt in kort geding feitelijk een principiële (declaratoire) uitspraak, waarmee zij bij de voorzieningenrechter aan het verkeerde adres is. Voor zover D-rt wil betogen dat de aan SGR verstrekte lening van € 150 miljoen dient te worden aangewend voor de uitbetaling van coronavouchers, staan de door de Europese Commissie gestelde voorwaarden daaraan in de weg.

De vordering m. b. t. de omzetting in een lening Vordering 6 is een toekomstige vordering. Deze vordering ziet op de situatie dat D-rt tekort schiet in de uitbetaling van coronavouchers aan consumenten, en die consumenten vervolgens aanspraken hebben op SGR en SGR in de rechten van de consument wordt gesubrogeerd. D-rt maakt echter niet inzichtelijk dat daarvan op dit moment sprake is en welke financiële gevolgen zij daarvan mogelijk gaat ondervinden. Daar komt bij dat ook deze vordering, zij het via een omweg, uiteindelijk neerkomt op een aanspraak op het voucherfonds en de vordering om de hiervoor al aan de orde gekomen redenen moet worden afgewezen. De exhibitievordering D-rt vordert onder lc en Id inzage in het goedkeuringsproces door de Europese Commissie en de afspraken tussen het ministerie van Economische Zaken Klimaat en SGR. Tijdens de mondelinge behandeling heeft D-rt pas voor het eerst toegelicht dat zij deze vorderingen grondt op artikel 843a Rv. Dit artikel bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die deze bescheiden heeft. Het karakter van een fishing expedition Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt aan voornoemde vereisten in dit geval niet voldaan. Zo zijn de gevorderde bescheiden niet voldoende bepaald en rijst de vraag welk belang D-rt bij het gevorderde heeft. De wijze waarop de vorderingen zijn ingesteld, maakt dat zij het karakter van een fishing expedition hebben en dat staat aan toewijzing in de weg. Daar komt bij dat de Staat, met een beroep op artikel 30 van Vo (EU) 20 15/1589, heeft opgemerkt dat over het goedkeuringsproces niet meer informatie mag worden verstrekt dan de mededeling dat op 5 maart 2021 het prenotificatietraject is opgestart en dat de tussen de Staat en de Europese Commissie gewisselde stukken vertrouwelijk zijn. Daarmee staat ook een gewichtige reden aan inzage in de weg.

De vordering m. b. t. de omzetting in een lening Vordering 6 is een toekomstige vordering. Deze vordering ziet op de situatie dat D-rt tekort schiet in de uitbetaling van coronavouchers aan consumenten, en die consumenten vervolgens aanspraken hebben op SGR en SGR in de rechten van de consument wordt gesubrogeerd. D-rt maakt echter niet inzichtelijk dat daarvan op dit moment sprake is en welke financiële gevolgen zij daarvan mogelijk gaat ondervinden. Daar komt bij dat ook deze vordering, zij het via een omweg, uiteindelijk neerkomt op een aanspraak op het voucherfonds en de vordering om de hiervoor al aan de orde gekomen redenen moet worden afgewezen. De exhibitievordering D-rt vordert onder lc en Id inzage in het goedkeuringsproces door de Europese Commissie en de afspraken tussen het ministerie van Economische Zaken Klimaat en SGR. Tijdens de mondelinge behandeling heeft D-rt pas voor het eerst toegelicht dat zij deze vorderingen grondt op artikel 843a Rv. Dit artikel bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die deze bescheiden heeft. Het karakter van een fishing expedition Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt aan voornoemde vereisten in dit geval niet voldaan. Zo zijn de gevorderde bescheiden niet voldoende bepaald en rijst de vraag welk belang D-rt bij het gevorderde heeft. De wijze waarop de vorderingen zijn ingesteld, maakt dat zij het karakter van een fishing expedition hebben en dat staat aan toewijzing in de weg. Daar komt bij dat de Staat, met een beroep op artikel 30 van Vo (EU) 20 15/1589, heeft opgemerkt dat over het goedkeuringsproces niet meer informatie mag worden verstrekt dan de mededeling dat op 5 maart 2021 het prenotificatietraject is opgestart en dat de tussen de Staat en de Europese Commissie gewisselde stukken vertrouwelijk zijn. Daarmee staat ook een gewichtige reden aan inzage in de weg.

Deel dit artikel